Handboek preventie

Voorkomen van psychische problematiek en bevorderen van geestelijke gezondheid

door
Jaap van der Stel

Boekrecensie door Mira de Vries


Er zijn drie soorten mensen: gekken, bijna gekken en GGZ-medewerkers. Dit handboek is bestemd als studieboek voor deze laatste groep, zoals duidelijk in de inleiding aangegeven wordt.

Er is grote vraag naar preventie in de GGZ, stelt de auteur. Desondanks zijn “overheden, financiers en bestuurders van instellingen … vaak nog onvoldoende overtuigd van nut en noodzaak” van preventieprogramma’s. Wie vraagt er dan eigenlijk om? Als het puntje bij het paaltje komt, de GGZ-medewerkers zélf, want die hebben ook allemaal banen nodig. Bovendien, werk in inrichtingen met hun onregelmatige werktijden, lage lonen, en moeilijke mensen die van de behandeling alleen maar erger worden, is gewoon veel minder leuk.

Met droge omschrijvingen, grafieken en tabellen neuriet de auteur een loflied aan het psychiatrische imperialisme. Allerlei maatschappelijke fenomenen worden tot haar legitieme domein gerekend: dakloosheid, drugsgebruik, criminaliteit, arbeidsongeschiktheid, schooluitval, kindermishandeling en anderen. Zonder enige onderbouwing wordt beweerd dat “preventie” wetenschappelijk en effectief is. Of in ieder geval, veel belovend, voegt hij twijfelend aan zijn eigen stelling toe. Niet, dus. Daarom juist vindt hij veel onderzoek nodig. Wiedes, iedere kolonisatie begint met ontdekkingsreizigers. Ruzie over het verdelen van de GGZ-koek hoeft er niet te zijn. De traditionele rivaliteit tussen psychiatrie en psychologie wordt beslecht door voor iedere “hulpverlener” een taak weg te lagen.

De ethiek wordt niet over het hoofd gezien, al neemt dit onderwerp slechts 5% van het boek in beslag. Daarvoor worden Friedrich Nietzsche (eind 19de eeuw) en Immanuel Kant (nóg een eeuw eerder) uit de kast gehaald, samen met duurwoorderij als “categorisch imperatief” en “universaliseringsaanspraak”. Natuurlijk doet de GGZ het tegenwoordig allemaal goed, in tegenstelling tot vroeger, toen artsen nog niet beschikten over zo veel verdovende- uh, ik bedoel, geneesmiddelen. “Nog zonder de geavanceerde psychofarmaca die ons heden ten dagen ter beschikking staan, zagen de behandelende medici zich genoodzaakt (fysieke) dwangbehandelingen toe te passen” schrijft de auteur. Is een prik haldol in je bil terwijl je in de boeien geslagen bent, of met vijf man wordt vast gehouden, geen fysieke dwangbehandeling? vraagt deze recensent zich af. Machtsmisbruik zou kunnen voorkomen, zo stelt de auteur, maar dat is dan ongewild. Thomas Szasz, ook wel genoemd “het geweten van de psychiatrie”, die meer dan dertig boeken en 500 artikelen heeft geschreven over dit onderwerp, en om wie zelfs zijn meest vurige tegenstanders niet heen kunnen, wordt nergens in het boek genoemd, zelfs niet in het hoofdstuk over ethiek. Noch wordt enig andere criticus van psychiatrie genoemd.

Dat hij maar een jaar heeft moeten werken om al die 340 pagina’s met kleine lettertjes vol te krijgen is verwonderlijk, ook al zijn grote delen ervan bewerkingen van eerdere publicaties van de auteur. Nog nooit is er over psychiatrie met zó veel en zúlke lange woorden zó weinig gezegd. Dat het boek enkel bestemd is voor mensen die werkzaam zijn of ambiëren te worden in de GGZ is dan ook logisch. Het gaat immers eigenlijk over het uitbreiden van carrièremogelijkheden in de GGZ op rekening van de belastingbetaler en uw en mijn privacy en zelfbeschikking.

Tot slot op verzoek van de uitgever vermeld ik de prijs: €29,50.