Baas in eigen brein

‘Antipsychiatrie’ in Nederland, 1965-1985

proefschrift van
Gemma Blok
2004

recensie Mira de Vries

Terecht zet Blok het woord antipsychiatrie in de ondertitel tussen aanhalingstekens. De term, dat afkomstig is van Cooper (Psychiatry and Anti-psychiatry, 1967), dekt niet de lading. Blok spreekt liever over kritische psychiatrie, alhoewel m.i. deze term evengoed ongelukkig gekozen is. Ik zou hebben aanbevolen de term “sociale psychiatrie,” psychiatrie die de mens ziet als onderdeel van zijn sociale omgeving. Bovendien kwamen de voorstanders veelal uit socialistische hoek.

Alhoewel Blok grote emotionele en maatschappelijke omwentelingen beschrijft, tracht zij dit met neutrale toon te doen, zonder een eigen waardeoordeel aan de geschiedenis te hechten. Toch weet de lezer al vanaf de eerste pagina dat Blok “praten in plaats van pillen” onzin vindt. Het boek wordt geopend met het verhaal van “de inktvissenman,” die in 1976 psychotisch op een treinstation in Deventer werd aangetroffen. (Woorden als “schizofrenie” en “psychose” worden door het hele boek gebruikt zonder ergens dan ook stil te staan bij wat ze betekenen en hoe deze vermeende aandoeningen met zekerheid kunnen worden vastgesteld.) Na aanvankelijk enkele weken tevergeefs zonder medicatie behandeld te zijn conform de nieuwe leer, knapte de inktvissenman uiteindelijk op van een neurolepticum. “Zie je wel” hoor je Blok tussen de regels in sissen. Bijna terloops meldt ze erbij dat “hij een uitgebreid psychiatrisch verleden had.” In 1976 had men natuurlijk nog nooit gehoord van de onttrekkings-psychose, die enkel gecoupeerd kan worden door een middel vergelijkbaar met dat waarvan onjuist is onttrokken. Blijkbaar had Blok in 2004 daar nog steeds niet van gehoord. Blok is overigens historica, niet dat medici er inmiddels wél van gehoord hebben.

Een vergelijkbaar verhaal vertelt zij over Piet, die op pagina 74 zonder medicijnen nog altijd niet opgeknapt was. Uiteindelijk kreeg Piet lithium, “een succesvol medicijn” aldus Blok. Inderdaad is lithium een kassakraker, maar Piet werd er niet beter van, verklapt zijzelf.

Het boek is gespekt met namen als Laing, Cooper, Esterson, Basaglia, Foucault, Goffman, Szasz en Foudraine. Dat Foudraine zijn beroemde patiënt Karel zou hebben genezen met praattherapie aanvaart Blok met gezonde scepsis. Boze tongen hadden gesuggereerd dat Foudraine het verhaal had verzonnen. Bovendien kwam later een bekende Karel tegen (hij was dus niet opgesloten?). Karel bleek verre van genezen te zijn. Een verband tussen de elektroschokken die Karel in zijn jeugd waren aangedaan en zijn vermeende hersensaandoening maakt Blok niet.

Weer een ander voorbeeld is de patiënt die tijdens een opnamegesprek een soort epileptische aanval kreeg. Aanvankelijk dacht de arts dat hij het had veroorzaakt met de manier waarop hij de patiënt aankeek. Immers, indertijd schreef men een haast magische kracht aan de interactie tussen behandelaar en patiënt toe.  Achteraf is vastgesteld dat “verkeerde medicijnen” tot de aanval hadden geleid. Nog steeds valt bij Blok het kwartje niet.

Ondanks dat het thema van Blok schijnt te zijn dat non-farmaceutische therapieën echt niet helpen, hoe goed bedoeld ook, werden vrijwel alle patiënten in het boek gedrogeerd, inclusief met dwang. Uit een van de eindnoten blijkt dat de doseringen die werden voorgeschreven bepaald niet laag waren. Blijkbaar kwam er in de praktijk niet veel terecht van het motto dat medicatie moet tot een minimum gehouden worden. Alhoewel Blok in detail omschrijft hoe vernederend praattherapieën waren voor patiënten, en vaak ook de familie, bespreekt ze nergens in het boek de effecten en bijverschijnselen van de psychofarmaca. De massadrogering is strijdig met de stelling van Blok dat in die periode de geringe waardering voor psychofarmaca het gezag voor psychiaters verminderde. Het lijkt mij eerder dat hierbij andere factoren speelden die Blok eveneens beschrijft, zoals filosofische conflicten over de behandeling, concurrentie tussen de verschillende beroepsgroepen en de algemene afkeer tegen gezag in die tijd.

Met genoegen las ik op pagina 184 over het biopsychiatrisch congres, gesponsord door Squibb, waartegen gedemonstreerd werd! De farmacie zou haar afzetgebied veilig willen stellen, stelde de demonstranten. Helaas trekken tegenwoordige psychiatrische congressen, die immers allemáál worden gesponsord door farmaceuten, geen demonstranten meer. Misschien is dat waarom Blok die afzet aan het eind van haar boek vergeten is. De “anti-antipsychiatrie” (dus de biopsychiatrie) “kwam uiteindelijk als winnaar uit de strijd” constateert zij. Inderdaad, maar dat heeft meer te maken met medische protocollen, gelikte reclame en lobbyisten dan met bewezen genezing. Haar stelling dat schizofrenie weliswaar ongeneeslijk is, maar dat dankzij psychofarmaca mensen toch enigszins kunnen functioneren, strookt niet met de bevindingen van de WHO dat in landen waar geen geld is voor psychofarmaca, mensen vaak genezen. Ook is Blok optimistisch over scans die het bestuderen van de hersenen al vóór de dood mogelijke maken. Dergelijk duur doktersspeelgoed heeft nog nooit tot enige vooruitgang in de psychiatrie geleid. Het is waar wat Blok stelt, dat sommige patiënten zich goed voelen bij het medisch model en psychofarmaca, maar hoeveel zijn dat, en rechtvaardigt hun mening het opdrukken van het medisch model op iedereen? De mogelijkheid van een derde model, naast het medisch en het sociaal, wordt niet overwogen.

Ondanks haar duidelijk standpunt over praten vs. pillen, tracht Blok toch te wijzen op verbeteringen die zouden zijn ingevoerd dankzij de kritische psychiatrie. De BOPZ zou alleen nog dwangopnames en dwangbehandeling toestaan wanneer er “gevaar” heerst. Dat is wel een zeer optimistische kijk op de BOPZ die niet gedeeld wordt met ervaringsdeskundigen en advocaten. Tevens zijn er cliëntenraden gekomen, alsof we daar iets mee opschieten. En er zijn PVPers, die inderdaad wel eens iemand ergens mee helpen, al hebben ze geen tanden. De bejegening is nog altijd even akelig, geeft Blok toe.

Het beeld dat Blok optekent van de antipsychiatrie in Nederland komt betrouwbaar over, ook al ben ik het met haar conclusies oneens. Historici zouden zich sowieso dienen te onthouden van conclusies, en alleen verslag doen van de feiten.

Gezien ik in de genoemde jaren ergens woonde waar deze omwentelingen in de psychiatrie nooit zijn aangekomen, vond ik het wel geinig deze pikante geschiedenis te lezen. Bovendien heb ik via mijn activisme inmiddels kennis gemaakt met diverse gepensioneerde psychiaters, die in deze periode op het hoogtepunt van hun carrières moeten zijn geweest. Het boek van Blok vult voor mij de roddels in die ik wegens afwezigheid gemist heb. De conclusie die ze trekt doet mij afvragen door wie haar proefschrift financieel gesponsord werd.